4 NOVEMBER 2002 - Omzendbrief PLP 27 : intensifiëring en bevordering van de interzonale samenwerking
Publicatie: 2002-12-04


1. TER INLEIDING

Het verheugt me bijzonder u te kunnen meedelen dat alle lokale politiekorpsen, conform artikel 248 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst gestructureerd op twee niveaus (verder WGP genoemd), in plaats zijn gesteld.

Dit is het resultaat van een procesvorming die werd opgestart door middel van mijn eerste omzendbrief PZ 1 van 10 april 2000 : opstart van de lokale politie.

Ik had er destijds voor geopteerd om zo snel mogelijk de beide niveaus van onze geïntegreerde politiestructuur tot stand te brengen. Ter herinnering, de voornoemde wet voorzag enkel een streefdatum voor de inwerkingtreding van de federale politie.

Voor de lokale politie werd geen streefdatum voorzien. De bedoeling was om de lokale politie de volgende jaren in fases in plaats te stellen. Ik heb er toen resoluut voor gekozen om ook voor de lokale politie een deadline in te stellen, namelijk één jaar na de inwerkingtreding van de federale politie.
 
Daarvoor werden drie fasen vooropgesteld, t.t.z.:

  • fase 1: omzendbrief PZ 1 van 10 april 2000: opstart lokale politie
     
    Deze fase behelsde voornamelijk het werken met de 22 pilootpolitiezones die een lokaal politiekorps avant la lettre vormden met de bedoeling te dienen als laboratiumfunctie voor de latere effectieve opstart. Hiervoor heb ik een hele ondersteuningsstructuur opgericht. (Footeam, Poteams….). De overgrote meerderheid van de artikelen van de WGP waren zelfs nog niet van toepassing. (zie artikel 260 WGP)
  • fase 2: omzendbrief ZPZ 9 van 7 november 2000: richtlijnen inzake de verdere fasering van de start van de lokale politie

    Omwille van het succes dat geboekt werd met de pilootpolitiezones was de op gang gekomen dynamiek niet meer te stoppen. Ik omschreef dit in de omzendbrief als volgt :”…Anderzijds ben ik – eerlijk gezegd – zelf overdonderd door het enthousiasme en de bereidwilligheid om deze nieuwe korpsen te laten starten….”. En inderdaad, omwille van de talloze aanvragen voor het bekomen van het statuut van pilootpolitiezones was ik verplicht een tandje bij te steken en mijn initieel denkspoor te verlaten. Bij de tweede fase diende ik reeds uit te breiden naar quasi alle zones, wat me dan weer het voordeel opleverde dat ik meer gecoördineerd en synchroon tewerk kon gaan.
  • De derde fase is nu bereikt. Alle lokale politiekorpsen werden op 1 januari 2002 wettelijk in plaats gesteld.

    Het eerste doel, namelijk het in plaats stellen van de structuren is bereikt.

2. DE VOLGENDE FASEN : HET INHOUDELIJK CONCEPT

Structureel is de geïntegreerde politie tot stand gebracht en is zij operationeel : de federale politie op 01 januari 2001 en de lokale politie op 01 januari 2002. Het beschikken over goede structuren is één zaak, het geven van voldoende inhoud en leidraad als houvast om die structuren vlot en coherent te laten samenwerken, is een andere zaak.

Met het Koninklijk besluit van 17 september 2001 tot vaststelling van de organisatie- en werkingsnormen van de lokale politie teneinde een gelijkwaardige minimale dienstverlening aan de bevolking te verzekeren werden zes basisfunctionaliteiten vastgelegd waardoor de bevolking de garantie heeft dat zij in elke zone van ons land op die services, geboden door de politiediensten, een beroep kan doen.

Met mijn omzendbrief GPI 19 van 6 mei 2002 over de politieassistenten werd een tweede aanzet gegeven nopens het inhoudelijke werk. Zowel de notie als het concept, maar ook het inhoudelijk werk van de politieassistenten werden vernieuwd en aangepast.

Ik kan u tevens meedelen dat ik intussen verder werk aan het concept gemeenschapsgerichte politiezorg dat concreet toepasbaar zal zijn voor de Belgische politie. Daaromtrent zal ik u later meer informatie bezorgen.

Ik wens het nu expliciet te hebben over de bevordering van de interzonale samenwerking.

 

3. INTERZONALE SAMENWERKING LOKALE POLITIE

Nu elk lokaal politiekorps zich intern heeft georganiseerd is de tijd gekomen om ook op interzonaal niveau een zekere dynamiek op gang te brengen. We beschikken over één geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus en dit betekent dat samenwerking en overleg meer dan vroeger een noodzakelijk gegeven is.

Een volgende logische stap is dus het zoeken naar bovenlokale verbanden, naar diensten en desgevallend zelfs structuren, die interzonaal kunnen worden uitgevoerd of geïnstalleerd. Dit kan enkel leiden tot meer rationalisatie en efficiëntie.

Ik wens dan ook de interzonale samenwerking te intensifiëren en ben bereid de lokale politie daarbij te ondersteunen.

3.1. Motivering
Afgezien de schaalgrootte van de zone – en ik weet dat het laatste woord daarover nog niet is gevallen – heeft ieder goed draaiende organisatie nood aan het optimaal aanwenden van de middelen die haar ter beschikking werden gesteld. Dit kan enkel leiden tot (nog) meer rentabiliteit van de politie. Het is ieders betrachting om zoveel mogelijk blauw op straat te krijgen. De oplossing hiervoor ligt zeker niet exclusief in het nog meer gaan rekruteren van politiemensen. De oplossing is wel om deze beschikbare politiemensen rationeel en adequaat te gaan inzetten waarbij elke vorm van verspilling moet worden uitgesloten. Het afsluiten van interzonale samenwerkingsverbanden lijkt me in het licht en het concept van een geïntegreerde politie dan ook een must en een doel op zich.

De Memorie van Toelichting bij de WGP stelt in dit verband in niet mis te verstane bewoordingen :

“….Bovendien veronderstelt het bevolkingsgerichte politiewerk een sterke lokale verankering. Het gemeentelijk niveau is in vele gevallen echter vaak te beperkt om voldoende personeel en middelen in te zetten om een volwaardige politiefunctie te garanderen. Dit betekent dat personeel en middelen noodzakelijk gemeenschappelijk gebruikt zullen moeten worden om te beantwoorden aan de vereisten van een kwaliteitspolitiedienst ten dienste van de burger…..”

Ik denk dat we hiermee duidelijk de toon hebben gezet. Want inderdaad onze hedendaagse politiezorg moet enerzijds naar een optimaal rendement klimmen en dient anderzijds economisch verantwoord te blijven, m.a.w. het moet betaalbaar zijn en blijven.

Het is dus de bedoeling dat men in alle zones door middel van aanvaardbare en redelijke middelen kan voorzien in een volwaardige politiezorg.

3.2. De Wet op het Politieambt (WPA 5 augustus 1992)
Bij het gezamenlijk uitvoeren van bepaalde opdrachten dient men uiteraard rekening te houden met de Wet op het Politieambt (WPA) en meer in het bijzonder met het artikel 7/1, 1°.

Dit stelt dat ingeval van gezamenlijk optreden op basis van een akkoord tussen verschillende lokale politiekorpsen, men de verantwoordelijken dient aan te wijzen waaraan de operationele leiding en coördinatie wordt opgedragen. Deze aanwijzing dient te gebeuren door de betrokken burgmeester(s).

3.3. Het (de) afgesloten akkoord(en) tot interzonale samenwerking kan (kunnen) door de
respectievelijke politieraden en gemeenteraden, in geval van een ééngemeentezone, worden vastgelegd in protocollen.

Voor interzonale samenwerkingsakkoorden, die zich niet situeren in bovenvermelde sfeer, zijn in se geen vormvereisten voorzien.

Het lijkt me echter niet meer dan logisch dat het inhoudelijke aspect van de akkoorden wordt voorbereid door de betrokken korpschefs en in bepaalde gevallen wordt goedgekeurd door de betrokken burgemeester(s) of politiecollege(s). In de meeste gevallen is het zelfs aangeraden de politieraden er kennis van te geven.

In de gevallen voorzien in de wet is het zelfs een must om de uitdrukkelijke instemming van de politieraden en/of gemeenteraden te bekomen. Dit alles hangt uiteraard af van de materie die men wenst te behandelen op interzonaal niveau.

Het lijkt me ook aangewezen dat, eens het voorbereidend werk van de korpschefs achter de rug is, het gegeven op de agenda wordt geplaatst van de zonale veiligheidsraad, indien de materie enige invloed kan hebben op het geïntegreerde veiligheidsbeleid en/of het zonaal veiligheidsplan.

 

4. INTERZONALE SAMENWERKING - PRAKTISCH

4.1. Doelstellingen
De samenwerkingsakkoorden streven volgende doelstellingen na, namelijk:

  • het verhogen van de rentabiliteit;
  • het verbeteren van de kwaliteit van de dienstverlening;
  • het streven naar een win-win-situatie, op basis van evenwaardigheid met inachtneming van het principe van wederkerigheid;
  • het nastreven van een zo eenvormig mogelijk beleid binnen een bepaalde regio, evenwel rekening houdend met de autonomie van de zones en met hun respectievelijke diversiteit en specificiteit.

Gelet op de organisatie van onze geïntegreerde politie op twee niveaus is het belangrijk te beklemtonen dat de principes evenwaardigheid van zones en wederkerigheid van groot belang zijn. De wederkerigheid, of het feit dat de interzonale samenwerking niet unilateraal hoeft te zijn, kan tot stand komen door een combinatie van de diverse domeinen die hierna aan bod komen.


4.2. Welke domeinen kunnen in aanmerking komen voor interzonale samenwerking?
Een indeling van items die in aanmerking komen voor interzonale samenwerking kan verschillende domeinen ( middelen, interventie, know-how,...) bestrijken. Gemakshalve maken we een onderscheid tussen de domeinen van niet-operationele aard en deze van operationele aard.

Volledigheidshalve dient toegevoegd dat onderhavige omzendbrief niet de ambitie heeft op te leggen hoe de concrete invulling van samenwerking in een of ander domein moet gebeuren, maar de domeinen wil opsommen waar samenwerking mogelijk is. In feite willen we enkele denkpistes aanreiken.

4.2.1. Domeinen van niet-operationele aard

4.2.1.1. APA-dossiers
Het concept van Autonome Politionele Afhandeling van politiedossiers (APA) is ondertussen ingevoerd binnen de vijf ressorten van de Hoven van Beroep.

Het behandelen van de APA-dossiers kan derhalve - wegens de uniforme richtlijnen geldig voor alle zones binnen het ressort van een Hof van Beroep - makkelijk aanleiding geven tot interzonale samenwerking. Concrete afspraken met de parketten inzake de praktische afhandeling van de dossiers kunnen bijdragen tot de algemene doelstelling.

Ik wens er in dit verband op te wijzen dat er reeds protocollen tussen bepaalde zones werden afgesloten met betrekking tot het behandelen van APA-dossiers ( zie verder ondersteuning).

4.2.1.2. Logistiek
Ook op dit vlak kan men protocollen afsluiten tussen bepaalde zones. Ik denk onder meer aan het op elkaar afstemmen van bepaalde aankoopdossiers (bijvoorbeeld zou men zich kunnen inschrijven in globale aankoopdossiers opgestart door de federale politie, in casu DGM, die door deze dienst worden beheerd). De voorbeelden zijn hier legio.

4.2.1.3. Organiseren van bepaalde interne vormingen en informatieverstrekking in het algemeen
Ook hier zijn tal van voorbeelden op te noemen in het domein van de interne vorming en de informatieverstrekking. De noden en behoeften van de lokale politie zijn meestal regiogebonden zodat ook de interne behoeften aan bijkomende vorming of bijscholing gelijk lopen. Samenwerking op dit vlak lijkt me dan ook aangewezen. Ik denk hierbij dan meer bepaald aan het schietonderricht, aan functionele en op de praktijk afgestemde ISLP-opleidingen…

Zie in dit verband eveneens mijn omzendbrief GPI 26 van 18 juli 2002 betreffende de externe opleidingen in de politiediensten.

4.2.1.4. Personeel
Ook op het vlak van personeelsadministratie kan het aangewezen zijn dat men overgaat tot een interzonale organisatie voor bepaalde aspecten.

4.2.1.5. Preventiecampagnes
Ook de noodzaak tot het voeren van preventiecampagnes beperkt zich meestal niet tot de grenzen van een bepaalde zone. Door het gezamenlijk organiseren en voorbereiden van dergelijke campagnes beschikt men over meer middelen en over een grotere impact op de geviseerde problematiek en doelgroep.

4.2.1.6. Documentatie- en informatiecentra
Het politiepersoneel heeft nood om steeds up-to-date te blijven wat betreft de regelgeving in een groot aantal domeinen. Richtlijnen van de Procureurs des Konings, van gemeentelijke, provinciale, gewestelijke en federale overheden dienen te worden gerepertorieerd.

Meestal hebben deze dan nog een vertaalslag nodig gelet op de specificiteit van de zones en de problematiek, bijvoorbeeld zones gelegen in een bepaalde regio en betrokken bij rallye-wedstrijden, bij de specifieke reglementering rond kerncentrales, rond bosbeheer … waarbij men door samen te werken tot een meer accurate gegevensverzameling komt.

Het aanleggen van diverse klassementen, zelfs binnen een korps, lijkt me niet meer van deze tijd te zijn. Veelal betreft dit dan nog geen dienst op zich en is de nauwkeurigheid van dergelijke “bibliotheken” afhankelijk van een vrijwilliger die deze taak op zich neemt.

4.2.1.7. Gebruik van infrastructuur en middelen
Gemeenschappelijk gebruik van infrastructuur kan eveneens leiden tot besparingen van personeel en middelen. Het gebruik van cellencapaciteit voor het opsluiten van in hechtenis genomen personen is personeelsbesparend, het bezetten of gebruik van infrastructuur zoals garages, schietstanden, vergaderlokalen,... betekent een besparing inzake werkingskosten. Dit geldt ook voor het gemeenschappelijk gebruik van materiële middelen zoals snelheids- en curvometers, signalisatiematerieel, ….. .

4.2.1.8. Welzijn – Interne preventiedienst
Alhoewel elke zone verplicht is een Interne Dienst voor Preventie op het Werk te organiseren voorziet de welzijnswet van 4 augustus 1996, artikel 36, dat verschillende zones – mits naleving van de door de Koning bepaalde modaliteiten - een gemeenschappelijke dienst kunnen oprichten. Een dergelijke samenwerking laat toe dat heel wat verplichtingen zoals risicoanalyses, plaatsbezoeken, adviezen bij aanschaf van materieel... gezamelijk, rationeel en dus ook kostenbesparend kunnen gebeuren.

4.2.1.9. Beveiliging van wapens, van politiegebouwen, documentatie….
Zelfs binnen de politiezones bestaat er soms geen uniforme regeling inzake beveiliging (security). Gemeenschappelijk uitgevoerde risicoanalyses moeten leiden tot identieke maatregelen binnen verschillende zones zowel op het vlak van het nemen van beveiligingsmaatregelen als van het reageren op alarm. Dit werkt kostenbesparend voor die zones die iets gezamenlijk willen aanpakken.

4.2.1.10. Allerlei

4.2.2. Domeinen van operationele aard
In de operationele sfeer wordt in de eerste plaats gedacht aan samenwerking in de domeinen die betrekking hebben op de organisatie- en werkingsnormen ( KB van 17 september 2001 en de bijbehorende omzendbrief PLP 10 van 10 oktober 2001). In het bijzonder wordt gedacht aan volgende functies:

4.2.2.1. Interventie/Verlenen van bijstand
Iedere politiezone beschikt over een permanente interventieploeg en één of meer bijkomende ploegen. In de voornoemde omzendbrief PLP 10 heb ik expliciet reeds een aanzet willen geven tot het interzonaal organiseren van deze bijkomende ploeg. De zone beslist autonoom wanneer zij die bijkomende ploeg inzet.

Afspraken kunnen dus gemaakt worden tussen verschillende belendende zones over hoe die bijkomende ploegen het best kunnen worden ingezet en op elkaar afgestemd.

Hierbij aansluitend kan ik nog toevoegen dat ook het principe van een permanent bereikbaar en terugroepbaar officier van bestuurlijke politie interzonaal kan worden geregeld, mits inachtneming van artikel 7/1.1. van de WPA.

In dit kader wens ik toch de aandacht te vestigen op een deontologisch aspect “schijn van partijdigheid”. Ik denk hierbij aan verkeersongevallen waar de lokale politie zelf bij betrokken is. Ware het dan niet aangewezen dit feit te laten vaststellen door personeelsleden van een naburige zone ?

4.2.2.2. Onthaal
Ook hier dien ik te verwijzen naar het voornoemde Koninklijk besluit en mijn omzendbrief terzake. Het organiseren van één permanent onthaal per zone is wellicht in bepaalde regio’s niet haalbaar of efficiënt. De minimale norm bepaald door de Koning ligt voor anderen dan weer te laag. Ook hier kan schaalvergroting veel voordelen opleveren. Het komt er op aan het evenwicht na te streven tussen de minimale norm en de wenselijke norm.

4.2.2.3. Politionele slachtofferbejegening
Als minimale norm voorzag het Koninklijk besluit terzake dat elk lokaal politiekorps dient te beschikken over een gespecialiseerde medewerker en dat deze permanent beschikbaar moet zijn. Dit laatste gegeven noopt ook tot enige afstemming op interzonaal niveau. Belangrijk is te vermelden dat ook in dit kader de omzendbrief GPI 19 inzake de politieassistenten niet uit het oog mag worden verloren.

4.2.2.4. Handhaving van de openbare orde
In de ministeriele richtlijn MFO-2 werd reeds uitvoerig ingegaan op het principe van samenwerkingsakkoorden of laterale steun inzake handhaving van de openbare orde (zie punt 2.2. in voornoemde omzendbrief).

Door interzonaal overleg te plegen in het kader van zowel voorzienbare gebeurtenissen als onvoorzienbare gebeurtenissen het principe van de gehypothekeerde capaciteit zoveel mogelijk een uitzondering kan blijven.

Het handhaven van de openbare orde is één van de zes basisfunctionaliteiten en zodoende dient elke zone zijn ordediensten te plannen en te managen. Een goede planning van de ordediensten en het beschikbaar stellen van de vereiste capaciteit op basis van supralokale solidariteit, heeft het voordeel dat men geen beroep dient te doen op het vorderen van de lokale politie.

Meer in concreto verzoek ik de lokale politie duidelijk in de tijd te gaan plannen, zeker voor wat betreft hun “steeds weerkerende en voorzienbare manifestaties” (zoals bijvoorbeeld een rock-festival, een stoet, fietshappenings en noem maar op) en daarbij, wanneer het beheer van dat evenement de eigen capaciteit overschrijdt, rond de tafel te gaan zitten om in interzonaal verband dergelijke evenementen te kunnen beheersen. Dit biedt het voordeel dat men lang op voorhand de in te zetten capaciteit kan plannen en berekenen, waarbij we het systeem van gehypothekeerde capaciteit reserveren waarvoor het bedoeld is.

Ook op het vlak van onvoorzienbare gebeurtenissen kunnen bepaalde scenario’s en mechanismen worden uitgewerkt.

4.2.2.5. Beheer van de oproepen (communicatiecentra)
In afwachting van het operationeel zijn van “Astrid” is een samenwerking inzake het behandelen (call-taking en dispatching ) van ( dringende) oproepen, zeker buiten de normale diensturen, voor de hand liggend. Naar de bevolking toe moet dit leiden tot een vlugge en adequate afhandeling van de oproepen; voor het personeel betekent dit een omkaderde en veilige manier van werken, en voor het management van de politiezone(s) levert dit eveneens een meerwaarde op.

4.2.2.6. Verkeers(dienst)
Zones kunnen hun opdrachten op het vlak van preventieve en/of repressieve verkeershandhaving en van adviesverlening aan de voor het verkeer bevoegde overheden gezamenlijk uitvoeren. Dit levert des te meer nut op in zones waar de verkeersmaatregelen van de ene gemeente een invloed uitoefenen op het verkeer of de verkeersleefbaarheid in een andere gemeente.

4.2.2.7. Allerlei 
[Nota van de webmaster: onderstaande items waren niet voorzien in de originele tekst van de omzendbrief. Zij werden aangetroffen in de protocols door de zones afgesloten.]

  • drugs en hormonen
  • inbraken en heling
  • autocriminaliteit
  • geweldsdelicten
  • mensenhandel en prostitutie
  • zedenfeiten
  • buurtinformatienetwerk
  • sporenonderzoek
  • bewaking en overbrenging van gedetineerden
  • ...

5. ONDERSTEUNING

Alhoewel ik de creativiteit en de zin voor initiatief van de lokale overheden en politiekorpsen geenszins onderschat acht ik het toch mijn taak u in deze materie enige ondersteuning te geven, alsook te voorzien in de coördinatie van het geheel. De ondersteuning en coördinatie die ik heb voorzien situeren zich op vele vlakken.

Het van elkaar leren en het doorgeven van goede initiatieven spelen in het kader van de interzonale samenwerking een primordiale rol. Het laten doorvloeien van informatie dienaangaande kan een meerwaarde inhouden; we spreken hier over het olievlekeffect.

Ik zal u verder toelichten hoe we het geheel gaan aanpakken en wat ik verwacht van wie. Het is me bekend dat bepaalde zones niet hebben gewacht op deze omzendbrief om reeds initiatieven te nemen voor het afsluiten van interzonale akkoorden. Ik ben dan ook vol lof over deze (losstaande) initiatieven.

5.1. De rol van de gouverneurs
Ik stel vast dat de gouverneurs in deze materie reeds heel wat lovenswaardige inspanningen hebben geleverd. Ik wens in dit verband te verwijzen naar de provinciewet die stelt in artikel 128, 3e lid :

“…Hij ziet toe op een goede samenwerking tussen de politiediensten en tussen de politiezones in de provincie…”.

Ik verzoek dan ook de gouverneurs om :

  • een voortrekkersrol te spelen in dit debat,
  • het afsluiten van samenwerkingsakkoorden (verder) aan te moedigen,
  • de reeds bestaande initiatieven te laten doorsijpelen binnen de lokale politiekorpsen van hun respectievelijke provincie,
  • de reeds bestaande initiatieven alsook de nieuwe initiatieven genomen naar aanleiding van deze omzendbrief in te zamelen en toe te sturen naar de Directie relaties met de lokale politie,
  • de directeurs-bestuurlijke-coördinatoren van hun respectievelijke provincie eveneens te informeren aangaande de genomen initiatieven.

5.2. De rol van de lokale besturen
Ik verzoek de burgemeesters, de voorzitters van de politiecolleges en –raden, zich te bezinnen over hoe en voor welke zaken ze interzonale samenwerkingsakkoorden zouden kunnen afsluiten.

5.3. De rol van de korpschefs
Het is de verantwoordelijkheid van elke korpschef om zijn burgemeester - of de voorzitter van het politiecollege in het geval van een meergemeentezone - informatie te bezorgen en elementen aan te reiken die hem in staat stellen om interzonale akkoorden af te sluiten.

Als technisch raadgever is hier voor de korpschef een belangrijke rol weggelegd. Hij is het best geplaatst om te weten welke domeinen efficiënter kunnen worden georganiseerd door ze op te trekken naar een hoger echelon.

5.4. De rol van de bestuurlijke directeur-coördinator (DIRCO)
Hij dient zich op de eerste plaats op de hoogte te houden van alle initiatieven in dit verband. Hij bevordert deze en garandeert de samenhang met de werking van de federale politie.

Zijn inbreng is van facilitaire aard.

5.5. De rol van de Directie van de relaties met de lokale politie (CGL)
Op centraal niveau, en teneinde me toe te laten een goed zicht te verwerven op de genomen initiatieven zal de Directie relaties met de lokale politie (CGL) alle ingezonden initiatieven inzamelen en groeperen per thema.

Vervolgens zullen deze summier via hun website (www.info-zone.be) kunnen geraadpleegd worden.
Het is de bedoeling dat we hier kunnen terugvinden :

  • over welke politiezones het gaat;
  • in welk domein het protocol werd afgesloten;
  • welke doelstellingen worden nagestreefd;
  • een beknopte uitleg over het akkoord op zich;
  • wie de contactpersoon is op lokaal niveau zodat deze kan geconsulteerd worden indien anderen nood hebben aan meer informatie.

De Directie zal me regelmatig rapporten voorleggen over de stand van zaken zodat ik – indien nodig – bijkomende ondersteunende maatregelen kan voorzien ter bevordering van het geheel. 

Op mijn beurt zal ik de rapporten overmaken aan de respectievelijke gouverneurs.

Ik zou u dankbaar zijn indien u alle burgemeesters van uw provincie dringend op de hoogte brengt van het voorgaande.

U gelieve, Mevrouw, Mijnheer de Gouverneur, de datum waarop deze Omzendbrief in het Belgisch Staatsblad wordt gepubliceerd, in het bestuursmemoriaal te willen vermelden.

De Minister van Binnenlandse Zaken,

Antoine DUQUESNE


top